NATUURLEXICON


Bruinvis

Phocoena phocoena   



De Bruinvis  Phocoena phocoena, ook Gewone Bruinvis genoemd, is de kleinste walvisachtige die aan onze kust kan worden waargenomen. Hij meet tot 1,80 m. Hij is bovenaan zwart, de onderkant is wit. De kop is rond. Dit zoogdier komt sinds medio jaren 1990 in grotere aantallen voor in de Vlaams-Nederlandse kustzone.

Hij vertoont een regelmatige seizoensgebonden trek. Hij heeft een scherp gehoor en een sterk vermogen tot echopeiling. Hij heeft een korte, stompe, driehoekige rugvin en geen “snavel” zoals dolfijnen. Het jong wordt ver op zee geboren.  

Hij vertoeft het liefst in ondiep water (tot 300 m diep) en in water dat onder de 17 °C blijft.

Hij wordt zeer zelden waargenomen langs onze kust. In tegenstelling tot dolfijnen duikt hij zelden volledig uit het water.

Hij verplaatst zich in groepjes van 2 tot 10 Bruinvissen. Als het water heel voedselrijk is, of als ze migreren, ontstaan er grotere groepen tot wel honderden Bruinvissen.

Deze soort houdt zich normaal gezien ver verwijderd van havens en drukke scheepvaartroutes, maar heeft toch chemische bestrijdingmiddelen in zijn lichaam. Er werden reeds tributyltin (TBT) en afbraakproducten vastgesteld. TBT zou het immuunsysteem van zeezoogdieren onderdrukken en hierdoor een verhoogde sterfte veroorzaken. Andere bedreigingen voor dit indrukwekkend zeezoogdier zijn de vergiftiging van de kustwateren met PCB’s en DDT en de overbevissing van de Noordzee.

Meestal wordt er per zwangerschap slechts 1 jong geboren. Een Bruinvis-vrouwtje krijgt gemiddeld maar eens per anderhalf jaar een jong.

Jonge Bruinvissen eten vaak grondelachtigen, die op de zeebodem leven. Volwassen dieren eten onder meer Haring Clupea harengus en Kabeljauw Gadus morhua. Haring is vet en energierijk en staat hoog op het menu van de Bruinvis. Ook Zandspiering Ammodytes tobianus wordt graag gegeten.

De laatste decennia zijn reeds verschillende Bruinviswijfjes aangetroffen met afwijkingen aan de melkklieren. Deze worden vermoedelijk veroorzaakt door PCB’s. Als een moeder haar jong niet goed kan voeden, verzwakt het en uiteindelijk sterft het. Bruinvissen gebruiken sonar voor hun oriëntering en wellicht ook voor hun sociale contacten. Het onderwaterlawaai veroorzaakt door schepen is voor Bruinvissen erg storend.

De Bruinvis heeft een relatief groot lichaamsoppervlak, waardoor het dier snel onderkoeld raakt als het onvoldoende voedsel vindt.  

Strandwarrelnetten zijn voor Bruinvissen levensgevaarlijk. In 2006 verdronken minstens 15 exemplaren in de warrelnetten. Ze moeten immers tijdig kunnen lucht happen. Een algemeen verbod op het recreatief gebruik van dit soort netten is noodzakelijk. Een Bruinvis kan 6 minuten onder water blijven en afdalen tot 200 m diep, maar een dier dat vastzit in een warrelnet en in paniek raakt, verdrinkt soms binnen enkele seconden.

Het kan gebeuren dat een Bruinvis een rivier optrekt. In 2005 werd het aantal Bruinvissen in de Noordzee geschat op zo’n 270.000 exemplaren. Tengevolge de opwarming van het klimaat zullen een aantal prooidiersoorten een verschuiving kennen. Dit kan een invloed hebben op het verspreidingsgebied van de Bruinvis.

Een recente populatiegroei in de Noordzee bij Nederland wordt veroorzaakt door een verplaatsing van de (deel)populatie in het noordelijke deel van de Noordzee richting het zuiden. Deze verplaatsing wordt waarschijnlijk veroorzaakt door optredend voedseltekort in het oorspronkelijke leefgebied als gevolg van overbevissing en klimaatverandering.

Gezien het grote aantal in ons land gestrande dieren met sporen van bijvangst (littekens van netten, opengesneden) gaat dit gepaard met een verhoogde mortaliteit. De grootste bedreiging vormt het hoge percentage van de Bruinvis dat jaarlijks als bijvangst om het leven komt. Ook het sterk verminderde voedselaanbod, waarschijnlijk onder invloed van de vismeelindustrie en het plaatsen van tal van windmolenparken in zee spelen een rol.

De Bruinvis produceert bij het foerageren geluiden met ultrasone frequenties. Die frequenties heeft het dier nodig ommet zijn sonar het teruggekaatste geluid van visjes waar te nemen. Bij het in de zeebodem heien van de funderingspalen van windmolens wordt geluid tot 240 decibel geproduceerd. Voor elke windmolen zijn er tot 3200 heislagen nodig. In de kustzone zijn er nog meer dan 1000 windmolens gepland. Het onderwatergeluid kan het gehoor van de Bruinvissen aantasten. Een Bruinvis met permanente gehoorschade hoort zijn eigen sonar niet meer en kan dus geen vis meer vinden zodat hij ten dode is opgeschreven.

Voor ruwweg een derde van de dode Bruinvissen die reeds op de stranden zijn aangespoeld, blijkt de doodsoorzaak te wijten te zijn aan bijvangsten van vooral de staandwantvisserij. Veel Bruinvissen verdrinken in staande netten. Ze lopen de kans om met hun snuit, rug- of staartvin verstrikt te raken in de mazen en kunnen dan niet meer omhoog om adem te halen.    

Ook de strandwarrelnetten zijn voor Bruinvissen levensgevaarlijk. In 2006 verdronken minstens 15 exemplaren in de warrelnetten. Ze moeten immers tijdig kunnen lucht happen. Een algemeen verbod op het recreatief gebruik van dit soort netten is noodzakelijk. Een Bruinvis kan 6 minuten onder water blijven en afdalen tot 200 m diep, maar een dier dat vastzit in een warrelnet en in paniek raakt, verdrinkt soms binnen enkele seconden.

Het instellen van beschermingszones waar helemaal geen visserij mag plaatsvinden zal noodzakelijk zijn voor de overleving van Bruinvissen.


Home