NATUURLEXICON


Bossen


Bossen zijn grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen.  

Een natuurlijk bos is een gevarieerd bos met verschillende soorten bomen van alle leeftijden en met ruimte voor verschillende levensgemeenschappen. Het is horizontaal gelaagd met een moslaag, een kruidlaag en een boomlaag. Ook verticaal is er een gelaagdheid door de verbinding van het bos met het open veld. De bosrand bestaat uit de bosmantel (struiken), de bossluier (klimplanten tussen struiken en bomen) en de boszoom (hoge kruiden). Deze lagen lopen naadloos in elkaar over. In de bosrand vinden we de grootste rijkdom aan planten en dieren.

Vroeger was het beheer van bossen traditioneel gericht op houtproductie en jachtverpachting. Later werd ook de bosrecreatie een belangrijke functie.

Vlaanderen behoort tot de bosarmste regio’s van Europa. De verdwenen oude bossen zijn enkel in oppervlakte gecompenseerd door de aanplant van jonge monoculturen van naaldbomen of Populier-soorten Populus species.  Deze monoculturen werden dan nog aangeplant in natuurgebieden zoals voormalige heidegebieden, duinen en ecologisch waardevolle valleigebieden.

Bij het kappen van een natuurlijk oud bos verdwijnen de bijhorende fauna en flora. De zogenaamde oudbosplanten verplaatsen zich zo traag dat het eeuwen kan duren voor ze in een jong aangeplant bos voorkomen, bijvoorbeeld de Bosanemoon Anemone nemorosa.

Dit betekent een dubbele achteruitgang voor de natuur. Het ergste van dit alles is dat deze evolutie nog niet helemaal is gestopt. Oude ecologisch waardevolle bossen moeten op een absolute manier beschermd worden.

In bossen wordt sedert de jaren 1990 meer de nadruk gelegd op een natuurgericht beheer, in plaats van het vroegere bosbouwgericht beheer (monocultuurbossen met een lage soortendiversiteit).

Volledige productiebossen hebben een te korte omlooptijd om tot een geheel natuurlijk ecosysteem uit te groeien. Natuurlijk beheerde bossen waarin alleen de benodigde bomen worden gekapt en door middel van paarden of een ander bosvriendelijk systeem, worden weggehaald, verdienen de voorkeur.

Bossen zijn belangrijke natuurgebieden met specifieke natuurwaarden. Ze vormen het eindpunt van de vegetatieontwikkeling (successie) in onze streken en zijn dan ook te beschouwen als onze meest natuurlijke natuur. Belangrijk in dit verband zijn het gebruik van ter plaatse inheemse (autochtone) boomsoorten, het scheppen van de nodige structurele variatie en het behoud van voldoende dood hout als onderdeel van de natuurlijke voedselkringloop in het bos.

Gemengde loofbossen herbergen duizenden verschillende dier- en plantensoorten.

Soms is het noodzakelijk om exoten, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse Vogelkers Prunus serotina, uit het bos te verwijderen. Deze dominante en agressieve soort verdringt immers de andere planten.

Bossen herbergen wereldwijd 70 % van de biodiversiteit.

De huidige bedreigingen voor onze bossen zijn vooral versnippering, verzuring, verdonkering, ontginning voor landbouw, verkavelingen voor woningbouw, industrie of autowegen en exoten.

Een natuurlijke ontwikkeling naar bos verloopt in een aantal fasen:

De kale fase of de verjongingsfase start wanneer de eerste zaailing zich gevestigd heeft en eindigt wanneer het maximale uitgangsstamtal bereikt is. Dit getal varieert van enkele tienduizenden tot vele honderdduizenden zaailingen per hectare. Deze fase kan vrij kort duren, meestal 1 tot 5 jaar, indien er voldoende ruimte is voor de vestiging van zaailingen.

De jonge fase begint wanneer de stamtalvermindering zich inzet en eindigt bij de primaire kroonsluiting. Het stamtal neemt in deze fase af. De meeste kruidachtige planten kunnen hier nog overleven.

De dichte fase start met de primaire kroonsluiting en eindigt wanneer er een duidelijk verschil in hoogtegroei tussen de bomen optreedt en er zich etages beginnen te vormen. De bomen komen nu boven de kruidachtigen uit waardoor deze laatste steeds minder licht ontvangen. Vanaf deze fase krijgen de kruidachtige planten het moeilijk om zich te handhaven en zullen lichtminnende soorten stilaan verdwijnen.

De stakenfase begint bij de vorming van etages en eindigt wanneer de hoogtegroei begint te vertragen. De bomen bereiken in deze fase hoogten van 10 tot 20 m en hebben een dicht kroondak. Onder dit kroondak kunnen relatief weinig kruidachtige planten groeien door het wegvallen van de lichtinval. De leeftijd van de bomen zal hier variëren van 15 tot 100 jaar.

De boomfase start op een ogenblik dat de bomen hun maximale groei hebben bereikt en eindigt bij de bestandsverjonging. Het kroondak zal stilaan een meer open karakter krijgen.

In productie zal in deze fase veelal een eindkap gebeuren waarna de cyclus weer herbegint bij de kale fase.

In meer natuurlijke bossen zal de zogenaamde vervalfase optreden. Deze wordt gekenmerkt door het afsterven van verschillende bomen waardoor grote gaten in het kroondak ontstaan. Lichtminnende planten zullen hier (tijdelijk) kunnen van profiteren. De soorten waarvan de zaden langdurig konden overleven, zullen hier weer kiemen. De vervalfase van een bos kan honderden jaren duren.

Populieren Populus species bijvoorbeeld verliezen na verloop van tijd (ongeveer na 30 tot 40 jaar) hun stevigheid. Ze hollen binnenin uit door verrotting. Bij stevige wind vergroot de kans op omwaaien. Na de kap strijden jonge Els-soorten Alnus species, Gewone Essen Fraxinus excelsior en Wilg-soorten Salix species voor het licht dat eerder door de Populieren werd weggenomen. Dit zorgt voor een natuurlijke verjonging van gekapte percelen. Meer soorten zorgen voor meer diversiteit. Oudere populierenbossen zijn wel belangrijk voor de Wielewaal Oriolus oriolus.

Meer en meer worden autochtone bomen en struiken gebruikt om aan te planten. Dit plantenmateriaal stamt af van de soorten bomen en struiken die na de laatste ijstijd op eigen kracht in onze streken terechtkwamen en er sindsdien groeiden. Het zijn dus de oorspronkelijke soorten van onze streken. Dit oorspronkelijke plantgoed is het resultaat van een eeuwenlange natuurlijke selectie. Beter aangepaste planten reageren gunstiger op extreme omstandigheden, zoals op klimaatveranderingen.

Autochtone bomen en struiken zijn ook het best aangepast aan de bodem en de andere groeicondities. Ze zijn vaak beter gewapend tegen ziekten en plagen. Ook andere planten en dieren zijn vertrouwd en soms zelfs afhankelijk van de eigen bomen van onze streken.

Door het gebruik van boom- en struiksoorten met een rijk bladstrooisel kan men de humuskwaliteit op peil houden en zelfs gedegradeerde situaties herstellen. Zowel op rijke als op arme bodems wordt het bos ofwel voedselarmer of voedselrijker en versterken de natuurlijke processen zich vanzelf.

Goede bodemverbeteraars voor bossen zijn Linde-soorten Tilia species, Gewone Es Fraxinus excelsior, Esdoorn-soorten Acer species, Iep-soorten Ulmus species en Hazelaar Corylus avellana. Zij bieden een grotere biodiversiteit, een aantrekkelijker bos voor de recreanten, een verzachting van de effecten van de luchtverontreiniging en een verhoging van de bodemvruchtbaarheid.   

Niet autochtone soorten synchroniseren anders met de rest van de natuur. Wanneer ze bijvoorbeeld vroeger bloeien ontstaan er andere interacties met insecten en dus ook met insectenetende dieren.

De kruising van autochtone soorten met niet autochtone soorten zou mogelijks ook leiden tot minder vitale soorten. Men spreekt van een soort degeneratie ten gevolge van een uitteelt, het omgekeerde van inteelt.

Het verdient toch aanbeveling om voor naaldbomen blijvend enkele plaatsen voor te behouden want ook deze bomen zijn van belang.

Onder meer voor soorten als het Harlekijnlieveheersbeestje Harmonia quadripunctata en het Bruin Lieveheersbeestje Aphidecta obliterata zijn naaldbossen belangrijk.  

Oudere bossen met veel biodiversiteit hebben een efficiëntere luchtzuivering dan jonge bossen door hun grotere variatie in soorten, structuren en natuurlijke processen.

Jonge bossen verschillen sterk van meer ontwikkelde bossen, zowel in de structuur van de opgaande bomen, en de bodem als in de samenstelling en diversiteit van de vegetatie.

De kruidlaag van jonge bossen wordt vaak gedomineerd door ruigtekruiden, maar is verder arm aan soorten. Deze dominantie is te wijten aan de voedselrijke bodem als gevolg van een voormalig landbouwgebruik. Bij een verdere bosontwikkeling bereikt er minder licht de bosbodem, maar de beschikbaarheid van de aanwezige voedingsstoffen blijft gedurende tientallen jaren hoog. Essentieel in deze bossen is de aanwezigheid van een voldoende gesloten kronendak. Jonge bossen kennen bovendien ook een erg trage verbreiding van de typische bosplanten. Het kan erg lang duren vooraleer deze planten een jong bos koloniseren. Wanneer deze nieuwe bosaanplantingen geïsoleerd liggen is een natuurlijke kolonisatie vrijwel onmogelijk.

Oudbosplanten zijn goede indicatoren voor bosontwikkeling en zorgen voor een belangrijk deel voor de diversiteit in bossen.

Oudere bossen bevatten ook meer dood hout, wat de biodiversiteit ten goede komt. Een grote bovengrondse biodiversiteit gaat immers gepaard met een grote ondergrondse biodiversiteit. Oude bossen kennen een zeer sterk ontwikkeld ondergronds voedselweb waarbij cruciale ondergrondse partnerschappen en nutriëntencicli ten volle zijn ontwikkeld. Jonge bossen bevinden zich wat dit betreft nog maar in de startfase.    

In stedelijke milieus is het daarom veel beter om bestaande oudere bossen te behouden dan jonge bossen aan te planten ter vervanging of “als compensatie” voor een ontbossing. Jonge bossen kunnen evolueren naar een divers, structuurrijk en waardevol stadsbos, maar dit pas na een langdurig proces. Stadsbossen zorgen voor een noodzakelijke bijdrage om steden leefbaar te houden. Maar verstedelijking gaat vaak gepaard met het verdwijnen van waardevolle oude bossen om snel plaats te creëren voor economisch belangrijker geachte projecten.

Bij bosaanplant is het aan te raden om meerdere boomsoorten bij elkaar te planten. Op die manier wordt het risico beperkt dat veel bomen kort na de aanplant sterven. Een ziekteplaag of een droogteperiode kan een monocultuur bijna volledig aantasten. Gemengd met andere, sterkere soorten blijft een deel van de aanplant toch intact. Enkele bomen van een bepaalde soort zijn ook minder aantrekkelijk voor eventuele belagers zoals insecten en schimmels.

Bossen bereiken nooit een echt evenwicht. Ze worden continu ergens door verstoord. Hierdoor zijn ze eigenlijk voortdurend in beweging. Toen de gletsjers zich aan het einde van de laatste ijstijd terugtrokken, begonnen verschillende bomen zich te verspreiden. Deze verplaatsing gebeurt nog steeds. Bomen sterven op een bepaalde plaats af, maar de zaden ervan ontkiemen een eind verderop, na verspreiding door bijvoorbeeld de wind of door dieren. Loof- en naaldbomen worden lokaal aangetast door belagers zoals bladluizen of schimmels, maar in een ander gebied zijn ze er beter tegen bestand. Als gevolg van de klimaatverandering zullen bomen in Vlaanderen in de toekomst wellicht in een hoger tempo naar het noorden migreren.  

In het klassieke natuurbeheer streeft men ernaar om inheemse soorten opnieuw aan te planten en regenererende en gezonde bossen te bekomen, maar volledig statisch zullen bossen nooit worden. Bossen zijn van nature in beweging. De milieu-omstandigheden bepalen de snelheid van deze dynamiek.        

Oude, waardevolle bossen verdienen een absolute bescherming. Rond die bossen moeten er buffers worden aangelegd, bestaande uit bijkomende bossen die zo mogelijk een verbinding vormen met nabijgelegen boskernen.  Op die manier kunnen de typische bossoorten zich makkelijk verspreiden.

Het aanplanten van stadsplanten geeft mensen niet alleen de kans om van de natuur te genieten dichtbij huis; stadsbossen verminderen ook de druk op de bestaande kwetsbare bossen.


Home