NATUURLEXICON


Boomkikker

Hyla arborea


De Boomkikker Hyla arborea is de kleinste van onze kikkers. Hij wordt niet groter dan 5 cm.

Meestal is hij grasgroen gekleurd, maar de kleur kan ook veranderen tot grijsachtig, bruin of gelig. De mannetjes kunnen luid roepen. De tenen zijn van zuignapjes voorzien.

Na 3 maanden treedt de metamorfose van larve tot kikker op. De kleine kikkertjes verlaten dan het water en klimmen op bomen en struiken. Hij voedt zich met allerlei insecten, larven, spinnen, wormen, vlinderrupsen en kevers, die vaak springend worden gevangen. Hij kan zich door kleurverandering aan verschillende milieus aanpassen.    

Deze kikker komt voor in de struweelzone van bosranden, in houtwallen en moerasgebieden. Hij houdt van een complexe heggenstructuur, dit wil zeggen dat de heggen oud genoeg moeten zijn zodat rondom de heggen allerlei planten groeien waar insecten op af komen. Met name Braam Rubus fruticosus biedt dekking en veel insecten.

Ook drassige weilanden en de nabijheid van grote, ondiepe poelen zijn voor deze kikker van belang. Alleen in de paartijd zullen deze kikkers zich in het water bevinden. In de poelen moet tot in het najaar water blijven staan. Zo kunnen de eitjes zich ontwikkelen tot jonge kikkers. De eiklompen hebben de grootte van een walnoot en zijn amper zichtbaar tussen de ondergedoken vegetatie.

Weilanden, heggen en poelen moeten aan elkaar worden gekoppeld door groene linten in het landschap. De poelen mogen niet overschaduwd zijn. De zuurtegraad van het water is best neutraal.

In biotopen waar een populatie Boomkikkers voorkomt, moeten vissen uit de drinkpoelen worden verwijderd. Vissen eten namelijk de eieren en larven van deze Boomkikkers op. De larven van de Boomkikker bewegen in open water en worden gepredateerd door vissen die visueel jagen.

Verschillende bodemwoelende vissoorten zoals Brasem Abramis brama zorgen bovendien voor een vertroebeling van het water en/of vraat aan waterplanten, wat nefast is voor de larven van de Boomkikker, die nood hebben aan helder water en een groot aanbod aan waterplanten.

Daarenboven zijn veel kleine potentiële voortplantingswateren van de Boomkikker reeds gekoloniseerd door exoten, zoals bijvoorbeeld de Zonnebaars Lepomis gibbosus en de Bruine Amerikaanse Dwergmeerval Ameiurus nebulosus, die niet alleen de inheemse vissoorten wegconcurreren, maar ook een negatief effect hebben op amfibieën.

Larven van amfibieën eten ongewervelden; ook de vissen eten ongewervelden. Er moeten voldoende ongewervelden overblijven voor de amfibieën.

Veel exoten zijn trouwens ook goede kolonisatoren van voortplantingswateren en weten te overleven in moeilijke condities.

Visloze poelen en vijvers zijn dus een absolute vereiste voor de Boomkikker om tot voortplanting te komen.

Een pioniersoort zoals deze kikker heeft baat bij het tijdelijk droogzetten van ondiepe vijvers.  

De Boomkikker is voor de voortplanting aangewezen op heldere, mesotrofe vijvers of poelen.

Eutrofiëring van vijvers of poelen gebeurt door aanrijking met nutriënten vanuit de landbouw, huishoudens en de industrie. In zure, voedselarme wateren gaat de eutrofiëring gepaard met een toename van wat men noemt de elektrische geleidbaarheid. Deze geleidbaarheid moet beneden een bepaalde waarde blijven voor een succesvolle reproductie. Eutrofiëring zorgt voor algenbloei. Deze algenbloei leidt tot een zuurstoftekort, hetgeen nefast is voor de larven van de Boomkikker.  

Veel vijvers worden gevoed door grondwater en oppervlaktewater. Oppervlaktewater is vaak te voedselrijk geworden door de instroom van nutriënten of door het overstromen van voedselrijke rivieren.

Regelmatig uitdrogende, visloze poelen vullen zich na enige tijd met voedselarm kwelwater of regenwater, hetgeen gunstig is voor deze kikker. Dit uitdrogen gebeurt natuurlijk best in de nazomer. De voortplanting gebeurt in mei-juni. Als de diepste poelen vroeger uitdrogen, sterven de eieren en de larven.

In modderige vijvers kunnen bepaalde exoten zoals de Bruine Amerikaanse Dwergmeerval wel achterblijven in de sliblaag. Voor onze Boomkikker zal afvissen dan de enige remedie zijn.  

Kleine landschapselementen, eigenlijk een ouderwets landschap, zijn voor de Boomkikker zeer belangrijk. In de biotopen van de Boomkikker mag er nooit gebrand of gespoten worden, want deze soort houdt zich zeer veel in de vegetatie op.

Ook het maaien moet beperkt worden tot het noodzakelijke wanneer er bosvorming dreigt op te treden en dan nog plaatselijk en niet over grote lengten tegelijkertijd. De voortplantingsperiode is van april tot juli. De voortplantingswateren moeten veel waterplanten bevatten. Hij kiest winterschuilplaatsen onder bomen of struiken, tussen boomwortels, in de strooisellaag, in holen, of tussen houtstapels. Soms overwintert deze kikker op de bodem van stilstaande wateren.

Grote bedreigingen voor deze kikker vormen de verzuring, de vermesting, de verdroging, de vervuiling van de poelen en zoals hierboven beschreven, de kolonisatie van de voortplantingspoelen door vissen, en dan vooral exoten.   

Maatregelen die worden genomen ten gunste van de Boomkikker blijken ook gunstig te zijn voor de Knoflookpad Pelobates fuscus. Anderzijds zijn poelen die worden aangelegd voor de Kamsalamander Triturus cristatus ook goed voor de Boomkikker.

Boomkikkers worden gemiddeld 5 jaar oud. Zonder geschikte voortplantingsplaatsen kan een langere periode niet overbrugd worden; daarom zijn verbindingsmogelijkheden tussen (deel)populaties onontbeerlijk.


Home