Home

 

 

 

 

 

- Chemische bestrijdingsmiddelen -

 

 

 

 

Chemische bestrijdingsmiddelen zijn de middelen, die ook wel worden aangeduid met de term “pesticiden” als een verzamelterm van vergiften zoals acariciden (tegen spinnen en mijten), insecticiden, bactericiden en fungiciden (tegen schimmels), herbiciden (tegen “onkruid”), nematociden (tegen aaltjes) en rodenticiden (tegen knaagdieren). Het zijn middelen die bedoeld of onbedoeld elke levensvorm vernietigen of op zijn minst beschadigen, met inbegrip van de mens zelf. Dat deze bestrijdingsmiddelen een verbetering betekenen voor de land- en tuinbouw en een bijdrage leveren aan onze voedselvoorziening en dat ze zouden bijdragen aan de beheersing van plagen, zijn argumenten die in het voordeel spelen van deze pesticiden enkel en alleen omdat men nooit verder heeft gedacht dan het economische voordeel zonder de gevolgen voor de gezondheid en de mogelijke alternatieven te onderzoeken.

Het slakkenbestrijdingsmiddel Methaldehyde bijvoorbeeld is zeer schadelijk voor de mens (lever, nieren, longen) en is vooral voor honden zeer giftig.

Reeds een gans resem aan chemische bestrijdingsmiddelen wordt er van verdacht dat ze op termijn schadelijk tot zeer schadelijk (kankerverwekkend) kunnen zijn voor de mens. Voor een aantal middelen werden de schadelijke uitwerkingen op de mens reeds bewezen.

De chemische bestrijdingsmiddelen bezinken aanvankelijk in waterbodems en komen later opnieuw vrij. Uitgeloogde bestrijdingsmiddelen dringen door tot het grondwater.

 

Bij de gangbare landbouw zou er aan weerszijden van waterlopen op zijn minst een spuitvrije bufferzone moeten zijn van 20 meter waar binnen het gebruik van alle bestrijdingsmiddelen en ook meststoffen verboden moet zijn. Maar daarmee wordt de vernietigende effecten van bestrijdingsmiddelen nog niet teniet gedaan.

 

Doordat ze nog steeds worden gebruikt, wordt de vernietigende invloed die chemische bestrijdingsmiddelen ongetwijfeld hebben op de natuur, het milieu en de mens blijkbaar nog steeds onderschat. Ze worden nog veel gebruikt wegens de lage kost en de algemene toepasbaarheid. De maatschappelijke kost van sanering van watersystemen en de

gezondheidsproblematiek worden niet in rekening gebracht.  Zogenaamde “milieuvriendelijke”  chemische bestrijdingsmiddelen bestaan niet. Vooreerst zijn de gevolgen van deze middelen bij gecombineerd gebruik amper gekend en bovendien wordt er steeds meer chemische troep gebruikt die werkzaam is bij een lagere dosis. De promotie die sedert de jaren 1950 wordt gevoerd voor deze middelen, gaande van middelen tegen fruitvliegjes en vliegen in de stal over middeltjes tegen distels en ander “onkruid” tot zelfs middelen tegen kraaiachtigen, laat nu nog steeds zijn sporen na. Tegenwoordig worden nog steeds resten van deze moeilijk afbreekbare stoffen in de natuur teruggevonden. Bovendien worden er nog steeds zeer schadelijke chemische bestrijdingsmiddelen verkocht.

 

Een specifiek aspect van chemische bestrijdingsmiddelen is het vermogen tot bio-accumulatie in het organisme. De concentratie van dergelijke bio-accumulerende stoffen neemt toe naarmate men een hoger trofisch niveau in beschouwing neemt (bijvoorbeeld ongewervelden-vissen-visetende vogels). Men noemt dit biomagnificatie. Organochloorbestrijdingsmiddelen stapelen zich op in vetten. Lage concentraties in het aquatisch milieu kunnen uiteindelijk leiden tot sterk verhoogde concentraties bij visetende vogels.

Die verhoogde concentraties kunnen leiden tot groei- en voortplantingsstoornissen of zelfs de dood. Vooral dieren aan de top van de voedselpiramide worden bedreigd omdat zij de grootste concentraties te verwerken krijgen. Als water een kleine hoeveelheid bestrijdingsmiddelen bevat, krijgen kleine vissen in de loop van hun leven 500 maal die hoeveelheid binnen, terwijl visetende vogels tot 80.000 de oorspronkelijke hoeveelheid bestrijdingsmiddelen in hun lichaam kunnen opslaan. In 2002 werden hoge concentraties bestrijdingsmiddelen aangetroffen in het vetweefsel van de in Vlaanderen voorkomende paling, waardoor consumptie zonder meer werd afgeraden. Wanneer zich schadelijke stoffen ophopen in vissen en vogels, vormen ze niet alleen een toxisch gevaar voor de zeevoedselketen, maar kunnen ze ook aanzienlijke afstanden afleggen om vervolgens terecht te komen in de voedselketens van niet-verontreinigde gebieden.

 

Bijen zijn zeer gevoelig voor de meeste milieugevaarlijke stoffen, zoals de chemische bestrijdingsmiddelen Ferrosulfaat en andere herbiciden.

Vooral door insecticiden te spuiten tijdens de bloeiperiode ondervinden met name bijen zeer veel schade.

Bendocarb is een insecticide dat zeer giftig is voor bijen en mogelijks ook kankerverwekkend voor de mens. Het werd reeds aangetroffen in grondwater.  

 

Insecticiden zijn rechtstreeks schadelijk voor verschillende dagvlindersoorten, ook degene die onbedoeld worden bespoten door de drift (het verwaaien over een grotere oppervlakte dan de bedoelde) van de insecticiden. Van mei tot augustus worden de meeste insecticiden gebruikt op de akkers. In die periode zit een deel van de dagvlinders in het rupsstadium, dus in een zeer gevoelige periode. De meeste vlindersoorten zijn afhankelijk van één of enkele plantensoorten, die een voedselplant zijn voor de rupsen. Bepaalde “pestsoorten” onder de planten, zoals de Grote Brandnetel, zijn de voedselplanten van verschillende vlindersoorten, maar worden met herbiciden bestreden.  

Herbiciden zijn trouwens op onrechtstreekse wijze nadelig voor vlinders en andere insecten omdat nectar- en waardplanten afsterven.

 

Het chemisch schimmel- en algendodend product Tributyltinoxide (TBT) is een bestanddeel van impregneerverven. Het wordt aangewend voor de bescherming van scheepsrompen tegen zeepokken en andere zeeorganismen die zich op het schip zouden vestigen. TBT is giftig voor alle levende wezens. Het is één van de bekendste hormoonverstorende stoffen. Deze zogenaamde endocriene verstoorders zorgen ervoor dat de reproductieorganen worden beschadigd. Wanneer er vrouwelijke reproductieorganen worden gevonden in mannelijke organismen, spreekt men van hermafrodisme. Bij vrouwelijke organismen treedt er een vermannelijking op. Bij mensen die veelvuldig met TBT in contact zijn gekomen, werd een toename van het aantal kankers vastgesteld, naast een vermoedelijke geleidelijke vermindering van de kwantiteit en de kwaliteit van het sperma.

Slakken zoals de Purperslak en de Wulk zijn zeer gevoelig voor deze stof. Ze worden namelijk onvruchtbaar doordat er mannelijke kenmerken bij vrouwtjes gaan optreden.

Wanneer TBT de voortplanting van een schelpdier zoals de Wulk in het gedrang brengt, dan worden ook Heremietkrabben bedreigd, want de wulk is de enige leverancier van schelpen die groot genoeg zijn om volwassen heremietkrabben te herbergen. TBT veroorzaakt “imposex”, dit wil zeggen dat vrouwelijke dieren mannelijke geslachtsorganen ontwikkelen, waardoor de populatie geheel of gedeeltelijk steriel wordt.

 

Verschillende waterorganismen, maar in het bijzonder kreeftachtigen,  zijn zeer gevoelig voor milieugevaarlijke stoffen zoals het veelgebruikte fungicide Captan (en ook de soortgelijke stof Folpan). Captan heeft trouwens ook effecten op de reproductieorganen bij de mens.

Het insecticide Endosulfan is giftig voor kreeften.

 

Ook het fungicide Captan heeft effecten op de reproductieorganen bij de mens.

 

Geďmpregneerd of voorbehandeld hout is meestal te herkennen aan zijn groene schijn en is een alternatief voor duur tropisch hardhout. De “Wollmanzouten” of CCA-zouten waarin het hout gebaad wordt of waarmee het wordt doordrongen met een vacuümdruktechniek bevat giftige, kankerverwekkende stoffen zoals chroom VI-verbindingen, arseenzuur en koper; stoffen die in de bodem en het grondwater terechtkomen en volgens deskundigen nog schadelijker zijn dan asbest.

 

Soorten die men met insecticiden wenst te bestrijden kunnen inderdaad verdwijnen, hetgeen nefast is voor het biologisch evenwicht in de natuur. Anderzijds komt het voor dat dieren van dezelfde soort resistent worden tegen de middelen zodat men de neiging heeft om steeds meer te spuiten. Naar schatting zouden wereldwijd reeds zo’n 500 insectensoorten ongevoelig geworden zijn voor chemische bestrijdingsmiddelen.

Het gebruik van insecticiden in de landbouw brengt met zich mee dat naast de soorten die men wil bestrijden ook de natuurlijke vijanden en parasieten van plagen en aantastingen verdwijnen. Dit heeft dan ook weer een hoger gebruik tot gevolg.

Mede door hun grote aantal, maar nog meer door hun gedrag, vervullen insecten een belangrijke rol in de natuur. Ze bestuiven bloemen (bijen, hommels, vlinders, zweefvliegen), ruimen kadavers op (vliegen, kevers, mieren) en houden plagen van andere insecten in toom (lieveheersbeestjes, sluipwespen, wespen, gaasvliegen). Het al dan niet voorkomen van bepaalde insecten zegt veel over de kwaliteit van de natuur.

De muggenverdelger Demethylftalaat wordt verdacht van kankerverwekkende eigenschappen.

Het insecticide Methylisocyanaat is een longtoxische stof, die oog- en ademhalingsproblemen en aandoeningen gelinkt aan de bloedsomloop en de embryonale ontwikkelingen veroorzaakt (Bhopal-ramp 1984). Deze stof blokkeert de luchtwegen en de zuurstofuitwisseling longen-bloed wordt ernstig bemoeilijkt.

Dichloorvos, een stof die zich bevindt in strips tegen vliegende insecticiden wordt ervan verdacht kinderleukemie te veroorzaken. Het dichloorgas komt bij die strips ononderbroken vrij en wordt opgenomen door de huid en via de ademhaling. De stof zou eveneens de vruchtbaarheid bij mannen verstoren.

 

Houtduiven worden wegens de schade die ze zouden aanrichten aan koolplanten vaak vergiftigd door insecticiden zoals “Curater” die vermengd worden in tarwekorrels.

 

Een schildpaddenpopulatie in Lake Apopka (VS) bestaat enkel uit vrouwelijke dieren. Volgens wetenschappers is dit te wijten aan het gebruik van DDT in de landbouw. DDT staat erom bekend een licht oestrogene werking te hebben  waardoor vogels, vissen en ook reptielen afwijkingen aan de geslachtsorganen en een verminderde vruchtbaarheid vertonen. Blootstelling aan meerdere middelen kan dit proces nog tot honderd maal versterken. Het op DDT gelijkend middel Difocol wordt in (Zuid-)Europa nog steeds aangewend bij de aardbeienteelt.

In Vlaanderen komen er in de natuur geen schildpadden voor, behalve dan de uitgezette roodwangschildpadjes. Er komen wel andere reptielen voor.

 

Ontwormingsmiddelen worden door landbouwers toegediend aan vee. Ook vee dat wordt ingezet bij het begrazingsbeheer van natuurgebieden krijgen ontwormingsmiddelen toegediend. Deze ontwormingsmiddelen worden uiteindelijk via de mest weer uitgescheiden en komen dus in het milieu terecht. Mest trekt verschillende dieren zoals mestkevers, regenwormen, mijten, kortschildkevers, springstaarten en nematoden aan.

Ontwormingsmiddelen hebben negatieve effecten op de mestfauna. Ze kunnen soms jaren in de bodem blijven. Deze ontwormingsmiddelen doden de insecten en wormen in de mest. Vogels zoals spreeuwen, kraaiachtigen, leeuweriken en zwaluwen eten vaak de mestfauna en lijden onder het verdwijnen van mestkevers en mestvliegen. Ook Egels, Dassen, vleermuizen en spitsmuizen eten wel eens dieren die zich op mest bevinden.

Er moet verder worden gewerkt aan alternatieve middelen ter vervanging van deze ontwormingsmiddelen.

 

Ontsmettingsmiddelen behoren tot de fumigantia. Dit zijn stoffen die als vloeistof of vaste stof in de bodem worden gebracht, waarna ze verdampen en zich in de bodem verspreiden. Ze bestrijden vooral aaltjes en bodeminsecten. Sommige bodemontsmettingsmiddelen werken bovendien tegen bodemschimmels en onkruidzaden. Deze middelen zijn zeer giftig.

Het ontsmettingsmiddel Methylkwik, een ontsmettingsmiddel voor zaaizaad, kan ernstige, soms dodelijke aandoeningen veroorzaken. Het is reproductietoxisch (ernstige negatieve gevolgen voor de voortplanting) en neurotoxisch. Neurotoxische stoffen zijn stoffen die de normale overdracht van impulsen langs zenuwen of over synapsen veroorzaken. De gevolgen hiervan zijn spiertrillingen, duizeligheid, depressie, maar ook in sommige gevolgen een volledige blokkering van de synapsen, met als gevolg een verlamming van het middenrif  en het uitvallen van het ademhalingssysteem, hetgeen leidt tot de dood. Het voor alle levende wezens zeer schadelijke Methylknik kan hoge concentraties bereiken in vissen en schaaldieren. Het gebruik van het ontsmettingsmiddel Methylkwik wordt best verboden of op zijn minst  vervangen door zaadcoating, wat wil zeggen dat er een heel dun laagje film met een kleine hoeveelheid fungiciden op het zaad wordt aangebracht. Andere ontsmettingsmethoden zoals warmtebehandelingen van het zaad worden best verder uitgewerkt als alternatief.

 

Methylbromide is nog zo’n ontsmettingsmiddel. Het is een reuk- en kleurloos gas dat toepassingen kent als bestrijdings- en ontsmettingsmiddel, vooral in de glastuinbouw, voor bodemontsmetting, e.d. Dit middel kan dodelijke vergiftigingen veroorzaken. Het is bovendien één van de stoffen die verantwoordelijk is voor de aantasting van de ozonlaag.   

Grondstomen zou een alternatief zijn voor het gebruik van methylbromide als ontsmettingsmiddel, maar er bestaat dan wel een risico op mangaanvergiftiging van sommige planten.

 

Herbiciden zijn biociden die men gebruikt tegen planten die sommigen aanzien als onkruid. Vooral de zogenaamde chloorfenoxyherbiciden vaak verontreinigd zijn met dioxinen, die zelf wel zeer toxisch zijn. Er zijn meer dan 75 verschillende isomeren, waarvan de stof TCDD de bekendste en meest toxisch is, ook voor de mens. 

De slecht afbreekbare herbiciden Atrazine en Simazine komen nog steeds voor in onze oppervlaktewateren, ook deze waar drinkwater wordt gewonnen.

Atrazine is een populair product bij maďstelers. Simazine wordt gebruikt bij de teelt van onder andere asperges, erwten en aardbeien. Het is één der meest gebruikte onkruidbestrijdingsmiddelen.

Soms dient men herbiciden toe om enigszins schadelijke planten te verdelgen. De Harige Ratelaar (Rhinanthus alectorolophus) is een halfparasiet; deze plant komt alleen tot bloei als de wortels een andere plant hebben aangeklampt. In de zaden van deze plant komt een giftige stof voor, namelijk aucubine. De zaden zijn moeilijk van graankorrels te onderscheiden, zodat men zal vermijden dat deze plant in graanvelden terechtkomt.  Ook de Bolderik Agrostemma githago werd vroeger om gelijkaardige reden met herbiciden uit de velden verdreven.

Door het gebruik van herbiciden zijn ook veel onschadelijke planten die vroeger in akkers voorkwamen uit deze akkers verdwenen.

 

Glyfosaat is een herbicide dat een soort planten-leukemie veroorzaakt, waardoor de plant geen eiwitten meer kan aanmaken. Ontkiemende plantjes sterven af bij bestuiven. Indien het hevig waait kan een wolk glyfosaat onbedoeld terechtkomen op planten van andere percelen, die hierdoor afsterven. Het middel is matig afbreekbaar in de bodem. Dit leidt tot een verstoring van nuttige bodembacteriën. Het product spoelt uit naar het grondwater. Doordat planten afsterven verliezen allerlei dieren onrechtstreeks hun beschutting en voedselbron. Het omzettingsproduct nitroglyfosaat, dat ontstaat in zure milieus, zoals humusarme bodems of in de menselijke maag, wordt verdacht van kankerverwekkende eigenschappen. Het heeft ook schadelijke effecten op het waterleven. Glyfosaat is matig tot zeer giftig voor waterplanten. 

 

Koperverbindingen worden nog steeds verkocht voor het mosvrij maken van gazons.

Varens zijn hier zeer gevoelig voor.

 

Het herbicide Paraquat is een zeer giftig middel dat kan leiden tot het uitvallen van de longfunctie. Het middel is zeer slecht afbreekbaar in de bodem en kan voor alle levende wezens op termijn dodelijk zijn. 

 

Rodenticiden zijn chemische bestrijdingsmiddelen tegen ratten en muizen. Chloorfacinon bijvoorbeeld verstoort de bloedstolling en de energiestofwisseling en is ook schadelijk voor andere dieren dan zoogdieren, zoals vogels. Bij vogels ontstaan er na opname van chloorfacinon merkbare gedragsveranderingen.

Strychnine is een verboden chemisch bestrijdingsmiddel, dat voornamelijk gebruikt wordt tegen kleine zoogdieren, zoals muizen, ratten en mollen. Inname van amper 15 mg is voor de mens dodelijk. Bij inademing treedt er een verlamming van de ademhalingswegen op. Vaak wordt strychnine aangetroffen in lokazen bedoeld om roofvogels of vossen te vergiftigen.

Een andere muizen- en rattenbestrijdingsmiddel is thalliumsulfaat, dat de werking van het zenuwstelsel, de klieren en de stofwisseling verstoort en veel pijn veroorzaakt bij vergiftiging. Het is trouwens net als de meeste bestrijdingsmiddelen ook giftig voor andere soorten dan de doelsoort, zoals voor planten, vogels en ook de mens.

 

Aluminiumfosfide wordt in de vorm van pilletjes als bestrijdingsmiddel toegepast tegen Mollen. Het is een ademhalingsgif, dat niet alleen onnodig wordt toegepast, maar ook een ernstige bodemverontreiniging veroorzaakt. 

 

Knaagdieren kunnen evengoed zonder rodenticiden worden geweerd door bijvoorbeeld een afrastering te zetten, de stammen te omhullen met manchetten; in de winter snoeihout als voedsel aan te brengen, de boomstronk, berm of talud schoon te houden, nestkasten voor torenvalken te installeren.

 

Creosootolie is een olieachtig impregneermiddel dat ondermeer bij treinbielzen wordt gebruikt. Het hout dat ermee behandeld is “lekt” soms in de zon. Het middel bevat voor 50 % PAK’s (polyaromatische koolwaterstoffen- zie verder) en wordt verdacht van kankerverwekkende eigenschappen bij de mens. Kwaadaardige kankercellen kunnen zich snel door het menselijk lichaam verplaatsen, waarbij ze gebreken aan gezonde cellen en immuunsystemen kunnen toebrengen. Ze vernietigen normale lichaamscellen en veroorzaken kanker in organen en lichaamssystemen.  Het is trouwens zeer schadelijk voor vissen, andere waterorganismen en planten. Het middel kan door plastic drinkwaterbuizen dringen en het drinkwater “besmetten”.

 

Het zijn vooral de schimmelbestrijdende middelen voor aardappelen en herbiciden voor maďs die zorgen voor het grootste deel van de negatieve impact van de chemische bestrijdingsmiddelen.

 

Sinds de Tweede Wereldoorlog en de opkomst van de chemische bestrijdingsmiddelen en de schaalvergroting in de landbouw zijn de natuurwaarden in het landbouwgebied er sterk op achteruitgegaan. Bloemrijke hooilanden, akkers met wilde planten en knotwilgenrijen verdwenen zienderogen. Een biologische, dier- en natuurvriendelijke landbouw kan die evolutie doen keren.  De grondbeginselen van biologische landbouw zijn: geen chemische bestrijdingsmiddelen, bewegingsvrijheid van de dieren, geen kunstmest, geen chemische kleur-, geur- of smaakstoffen, geen groeistimulatoren en hormonen en geen genetische modificatie, De stallen en diervoeding moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen. In de biologische landbouw worden de snavels van kippen niet gekapt, wordt de staart van biggen niet afgesneden en wordt geen antibiotica toegevoegd aan de dierenvoeders. Nog maar weinig mensen kopen regelmatig biologische producten. Meer regels dan gangbare landbouw. Nog maar weinig boeren die biologisch werken.  Een eerste stap is een natuurvriendelijke landbouw waarbij bijvoorbeeld kerkuilen broeden in de schuur, steenuilen nestelen onder de balken en zwaluwen af en aan vliegen. Natuurvriendelijke landbouwers ploegen velden niet meer tot de laatste meter, maar laten hoeken ongemoeid. Daar nestelen dan wezels of hermelijnen. Wilgen worden regelmatig geknot, nesten van weidevogels worden letterlijk beschermd door hekkens, poelen worden aangelegd voor amfibieën. Niet-bewerkte percelen worden natuurvriendelijk beheerd. Een strook in graanakkers worden ongemoeid gelaten. Het gemengde landbouwbedrijf wordt in stand gehouden. In de winter eet het vee het graan van eigen bedrijf. Het stro gaat  naar de potstal, waarin de koeienmest ’s winters wordt opgepot en met stro vermengd. Twee of drie keer per week wordt de stal geledigd. Ruige mest wordt op het land uitgereden. Daar kunnen zelfs weidevogels van profiteren.  Biologische boeren houden rekening met het behoud van wilde planten langs de slootkanten. Het aanleggen van houtwallen en houtkanten trekt verschillende kleine zoogdieren en vogels aan. Dat zijn natuurlijke vijanden van insecten of slakken die de gewassen van de boer bedreigen.  Ziekten en plagen in de fruitteelt kunnen worden bestreden met insectparasieten, roofinsecten, en zelfs koolmezen, die de rupsen verorberen. Roofinsecten zijn sluipwespen, galmuggen, lieveheersbeestjes an andere kevers, roofmijten, wantsen en roofwantsen. Tegen vogels kunnen vogelverschrikkers, zoemlinten en ultrasone geluidsgolven dienst doen. Ook elektrische afsluitingen net boven de grond kunnen knaagdieren weg houden van de gewassen. Regelmatige vruchtwisseling kan bodemmoeheid voorkomen. Mechanische onkruidbestrijding door thermische systemen,  met  wiedeggen of met schoffelmachines kunnen de  chemische schadelijke producten vervangen. Biologische landbouwers passen meer het systeem van vruchtwisseling toe. Er worden ook groenbemesters gebruikt, die tevens erosie tegengaan. De biologische landbouw kampt nog met verschillende knelpunten: meer grondoppervlakte nodig, meer kans op dierziekten, zware kosten voor aanpassingswerken, kennis inzake de biologische landbouwtechnieken nog te weinig ontwikkeld en verspreid onder landbouwers, …

 

Niet alleen de landbouwers, maar ook particulieren, bedrijven en de overheid gebruiken nog te veel chemische bestrijdingsmiddelen. Landbouwers beseffen ondertussen dat ze een imagoprobleem hebben en de meeste landbouwers zijn bereid daar iets aan te doen. Particulieren daarentegen beseffen nog te weinig dat ze ook iets aan de situatie kunnen doen, door zelf ook over te schakelen op milieuvriendelijke alternatieven.

 

Er bestaat reeds een ellenlange lijst van chemische bestrijdingsmiddelen die schadelijk tot zeer schadelijk zijn voor vissen.

Het houtconserveringsmiddel creosootolie, die PAK’s bevat, is zeer schadelijk voor vissen. Een ander berucht fungicide, TBT (Tributyltinoxide), een schimmel- en algenbestrijdingsmiddel is zeer giftig voor vissen. Ook Trifenyltinverbindingen, die sterk verwant zijn aan TBT, zijn eveneens voor vissen zeer giftige fungiciden, die aangewend worden bij de aardappelziektebestrijding en bij de productie van kledij. Er reeds reeds resten van deze verbindingen aangetroffen in baarzen. 

Ook het fungicide Pentachloorfenol (PCP) en Creosootolie, die PAK’s bevat, zijn giftig voor vissen.

Paraquat is een voor vissen zeer giftig herbicide.

Insecticiden zoals Aldrin, Endosulfan, Dichloorvos, Dieldrin en Chloordaan komen in het oppervlaktewater terecht en zijn zeer schadelijk voor vissen. Veel stoffen komen ook terecht in het drinkwater. Enkele stoffen hebben de eigenschap dat ze de vrouwelijke hormonen in het lichaam (ook bij de mens) doen stijgen, waardoor de vruchtbaarheid afneemt.

 

Ook DDT kan het hormonale stelsel ondermijnen. Zo is bij Regenboogforellen in Groot-Brittannië vastgesteld dat het alleen de mannetjes zijn die eitjes leggen. DDT wordt nu nog steeds in Afrika als insecticide gebruikt. Het anti-muggenmiddel dimethylftalaat is zeer giftig voor vissen.

Bij drift met insecticiden kunnen vissen in nabijgelegen vijvers onmiddellijk afsterven.  

Ook bestanddelen van detergenten beďnvloeden de hormoonhuishouding. Onderzoek in Engeland wees uit dat mannelijke vissen rond lozingspunten van afvalwaterzuiveringsinstallaties “vervrouwelijken” door de aanwezigheid van nonylfenol, een afbraakproduct van een grote groep industriële detergenten. Proeven wezen uit dat lage concentraties nonylfenol al een verstoring van de voortplanting konden veroorzaken.

 

Chemische bestrijdingsmiddelen en hun bijproducten leiden vaak tot misvormingen bij amfibieën. De verschillende vergiften dringen goed door in de zeer poreuze eieren en huid van amfibieën. 

Aangezien insecten een belangrijke voedselbron vormen voor amfibieën, vormen insecticiden ook onrechtstreeks een bedreiging voor de amfibieën.

Het herbicide Paraquat is rechtstreeks giftig voor de eieren van kikkers en salamanders. Blijkens een Amerikaans onderzoek (2001) kan het herbicide Atrazine bij mannelijke kikkers vrouwelijke voortplantingsorganen bezorgen. De kikkers zien er op het eerste zicht normaal uit, maar mannetjeskikkers hebben dikwijls zowel testikels als eileiders. De testikels zelf bevatten zowel sperma als eitjes. De kikkers ontwikkelen ook veel kleine strottenhoofden dan normaal, wat de kwaakcapaciteiten, waarmee ze hun seksuele partners lokken, serieus beďnvloedt.

Het herbicide Diquatdibromide, dat trouwens bij de mens zorgt voor neusbloedingen bij inademing (!) is zeer giftig voor kikkerdril. Het spoelt na verzadiging van de bodem uit naar het grondwater, zodat het ook in het oppervlaktewater kan terechtkomen, als dit al niet rechtstreeks gebeurt.

 

Er moet worden vermeden dat sproei-installaties voor bestrijdingsmiddelen in of aan oppervlaktewateren gespoeld worden. Bij het innemen van water door spuitapparatuur loopt steeds een deel van de inhoud van de tank in het water terug, voordat deze water aanzuigt.

 

Het gebruik van herbiciden en insecticiden is één van de bewezen oorzaken van de achteruitgang van akkervogels zoals Patrijs en Grauwe Gors. De herbiciden doden de planten voordat ze (eetbaar) zaad zetten of waarvan de insecten leven die het zomervoedsel vormen (bijvoorbeeld larven van bladwespen). Insecticiden doden de insecten zelf en bij weinig selectieve middelen vaak ook de natuurlijke predatoren van het te bestrijden plaaginsect.

 

Bestrijdingsmiddelen, vooral deze met gechloreerde koolwaterstoffen, hebben de roofvogelstand in de tweede helft van de 20e Eeuw gevoelig doen dalen. Het insecticide Aldrin leidt bij vogels tot een eierschaalverdunning en zo tot het mislukken van veel broedsels. Het insecticide DDT stuurt ook bij een niet-dodelijke concentratie de aanmaak van calciumverbindingen bij vogels in de war, waardoor ze eieren met abnormaal dunne schalen leggen. De eieren gaan gemakkelijk stuk of verliezen vocht door de schaal, waardoor het eigeel, het embryo, uitdroogt. De effecten van DDT zorgden voor een sterke daling van het aantal roofvogels. Geleidelijk aan beginnen de populaties zich terug te herstellen. 

DDT is bij ons sedert de jaren 1960 verboden. In tropische streken wordt de zeer giftige stof nog gebruikt.

 

Veel jonge en volwassen vleermuizen sterven door de opstapeling van de gifstoffen die zich in de prooien bevinden. Insecten die door insecticiden vrijwel verlamd zijn vormen een gemakkelijke prooi voor vleermuizen.

 

Het carbamaat-insecticide Methylisocyanaat is een direct longtoxische stof. Knaagdieren die met het insecticide in contact komen lijden onherstelbare schade aan de longen. De luchtwegen worden geblokkeerd en de zuurstofuitwisseling longen-bloed wordt ernstig bemoeilijkt.

In 1984 lekte 40 ton Methylisocyanaat weg in Bhopal (India). Tot op vandaag lijden de mensen daar aan oog- en ademhalingsaandoeningen en er zijn nog steeds embryonale afwijkingen.